2. Het voorlopige resultaat

We zijn nu zeven jaar verder, er zijn miljoenen uitgegeven aan planvorming en projectontwikkeling. Maar wat is het resultaat? De reconstructie dreigt uit te monden in haar tegendeel, namelijk in de destructie van het platteland. Wie in één oogopslag wil zien hoe omvangrijk het buitengebied is dat wordt opgeofferd aan de bio-industrie, kan de provinciale reconstructiekaart er op na zien. Tussen zeer kwetsbare natuurgebieden, onder de rook van woonkernen en midden in open landschappen worden in Midden- en Oost-Brabant maar liefst 50 landbouwontwikkelingsgebieden ingericht ten behoeve van een mammoet bio-industrie die op wereldschaal zou moeten kunnen concurreren. Overeenkomstig de provinciale Reconstructieplannen mogen de bio-industriële ondernemers in deze gebieden fabrieken laten bouwen met een omvang van 2.5 tot 3.5 hectare (5 à 7 voetbalvelden). Daarnaast verrijzen er omvangrijke mestverwerkinginstallaties en biogasinstallaties.
Het gaat dus niet meer om uitbreiding van duurzame gezinsbedrijven – zoals de Reconstructiewet beoogde – maar om vestiging van agro-industriële complexen die het open landschap vernietigen, de natuur aantasten en de gezondheid en welzijn van burgers bedreigen. De inrichting van deze landbouwontwikkelingsgebieden betekent een enorme aanslag op het buitengebied. Er moet immers een aangepaste infrastructuur worden ontwikkeld ter wille van het intensieve transport van varkens, kippen, kalveren, kadavers, veevoer, mest en chemicaliën. Landwegen moeten worden verbreed en zandpaden verhard, bomen moeten worden gekapt. Bij het opstellen van de Reconstructieplannen is hiermee geen rekening gehouden.
Wie had gehoopt dat de Reconstructiewet en de provinciale Reconstructieplannen wél gunstig zouden uitpakken voor de extensiveringgebieden en verwevinggebieden, komt bedrogen uit. Ondanks de Reconstructiewet zijn in extensiveringgebieden nog steeds intensieve veehouderijen aanwezig en ze worden zelfs uitgebreid. Deze bio-industrieën tasten onverminderd de volksgezondheid, de natuur en het landschap aan. In verwevingsgebieden is het niet anders. Ook daar wordt nog steeds vrij baan gegeven aan uitbreiding van de intensieve veehouderij, ondanks de mogelijkheid die de overheid heeft om hier restrictief op te treden. Ook zijn lege milieuvergunningen in extensiverings- en verwevingsgebieden lang niet allemaal ingetrokken. De regel dat er geen intensieve veehouderij in een Landbouwontwikkelingsgebied mag worden gevestigd, wanneer niet tegelijkertijd in een extensiveringsgebied één of meerdere veehouderijen worden opgeheven (“geen inplaatsing zonder uitplaatsing”), wordt niet nageleefd. Naar wij vernamen is deze regel kennelijk zó moeilijk uitvoerbaar dat men deze koppeling per 1 juli 2009 zelfs wil laten vervallen.
Van de beoogde win-winsituatie is dus niet veel terecht gekomen. Natuur, milieu, landschap, dierenwelzijn en volksgezondheid hebben het afgelegd tegen de bio-industrie en haar machtige belangenbehartigers: de ZLTO, het CDA en de Rabo-bank. Bovendien zal de toename van bedrijven met een welhaast groteske omvang de doodsteek betekenen voor de traditionele gezinsbedrijven in de veehouderij.
Burgers en belangenorganisaties die tegen deze destructie van het platteland en tegen de bedreiging van hun gezondheid in verzet komen, moeten zich in het keurslijf van ingewikkelde juridische procedures en fatale bezwaar- en beroepstermijnen wringen. Ondertussen gaan de verrommeling, verstening en vervuiling van het Brabantse platteland onverminderd voort. In het licht van deze feitelijke ontwikkeling krijgt het devies van het bestuur van de provincie Brabant – “naar een mooi, schoon en vitaal Brabant” – het karakter van volksverlakkerij.

Reacties zijn gesloten.