header image 1

3. Falend bestuur van provincie en gemeenten

De doelstellingen van de Reconstructiewet dreigen in hun tegendeel te verkeren. Wat ons als burgers daarbij vooral verontrust zijn de onkunde, de onzorgvuldigheden en zelfs de onrechtmatigheden die het openbaar bestuur aan de dag legt. Het vertrouwen van de burgers in het provinciale en gemeentelijke bestuur is daardoor aangetast. Wij geven u enkele voorbeelden.

a. De burgers, zelfs degenen die direct in of aan de rand van de Landbouwontwikkelingsgebieden wonen, zijn niet of onvoldoende betrokken bij de totstandkoming en ontwikkeling van de Reconstructieplannen. Hun is niet duidelijk gemaakt wat hen precies te wachten stond. Mede daarom kon het gebeuren dat verschillende Landbouwontwikkelingsgebieden slordig en onzorgvuldig werden aangewezen. Ze blijken vaak te dicht bij woonkernen, te dicht bij burgerwoningen, te dicht bij kwetsbare natuur, te dicht bij of zelfs ín gebieden met grote cultuurhistorische waarden te liggen. Door burgers niet op tijd te informeren, lijkt er bewust voor een overvaltactiek te zijn gekozen. Burgers worden plotsklaps geconfronteerd met de komst van enorme stalcomplexen. Deze vernietigen niet alleen hun uitzicht en leefomgeving, maar bedreigen ook hun gezondheid door de uitstoot van ammoniak en fijnstof, en door de verspreiding van micro-organismen (bacteriën, virussen) en hinderlijke stank. In de evaluatie van de Reconstructiewet die het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid heeft laten uitvoeren, wordt het negeren van de burgers als een van de belangrijkste kritiekpunten naar voren gebracht.

b. Onzorgvuldig en zelfs misleidend is het taalgebruik dat in het kader van de Reconstructie wordt gebezigd. De bio-industrie wordt aangeduid met de verhullende term “niet grondgebonden landbouw”. Maar wat is “niet grondgebonden landbouw”? Daar kan toch niets anders mee worden bedoeld dan landbouw en veeteelt die geen akker-, gras- of weidegronden nodig hebben? Waarom dan toch deze schaarse gronden ter beschikking gesteld? Waarom midden in het Brabantse landschap enorme veefabrieken neerzetten, als deze gesloten en met groen gecamoufleerde beestenbunkers géén gebruik maken van het platteland, maar daarop wél beslag leggen? De verborgen dieren in Brabant - de varkens, kalveren en kippen in de bio-industrie - zien van geboorte tot slacht immers nooit één sprietje gras en nooit één glimp buitenlicht. De bio-industrie verschilt in dat opzicht niet van andere industrieën, bijvoorbeeld de auto-industrie. Het veelgehoorde voorstel om deze bio-industrieën te verplaatsen naar industrieterreinen heeft dan ook een dwingende logica, al blijft het gelijkstellen van dieren aan industriële producten voor veel mensen emotioneel en moreel onverteerbaar. Alleen als het inderdaad zou gaan om duurzame agrarische gezinsbedrijven – zoals oorspronkelijk de bedoeling was – zou vestiging op het platteland in de rede liggen. Maar ook de – inmiddels bedachte - eufemistische term “gezinsbedrijf plus” getuigt van misleidend taalgebruik. Want het blijkt te gaan om de ontwikkeling van agro-industriële complexen waar honderdduizenden varkens en kippen in gesloten ruimtes mechanisch worden opgefokt. Met een boerengezinsbedrijf heeft deze ontwikkeling niets meer van doen.
Deze onbeschaafde industrie wensen wij niet in Nederland, niet alleen vanwege de omstreden behandeling van dieren in deze fabrieken, maar ook om een andere reden. Als de intensieve veehouderij niet langer “grond gebonden’ is, waar halen de dieren dan hun voedsel vandaan? Kennelijk van gronden elders in de wereld. En wel de Derde Wereld. Het veevoer dat daar wordt geproduceerd, gaat ten koste van het voedsel voor de lokale bevolking en ten koste van de natuur. Bossen worden gekapt en biodiversiteit verdwijnt.

c. Misleidend is ook het standaard-antwoord dat verontruste burgers van provincie en gemeentes krijgen op hun bezwaren tegen de effecten van megastallen op milieu en gezondheid. De luchtwassers zouden, zo wordt steevast aangevoerd, dankzij de verplicht voorgeschreven best beschikbare technieken per saldo tot vermindering van uitstoot van schadelijke stoffen leiden. Maar dat is maar helemaal de vraag. Tot nog toe is niet één luchtwasser gecertificeerd. Landbouw Universiteit Wageningen verwacht dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat adequate luchtwassers zijn ontwikkeld. De burgers worden dus op onjuiste gronden gerustgesteld. Bovendien zijn de huidige luchtwassers fraudegevoelig. Om de hoge energiekosten te drukken, worden ze niet zelden ’s nachts of in het weekend uitgezet, zoals buurtbewoners maar al te vaak tot hun ergernis kunnen ruiken. Ter wille van goede verstandhoudingen met de buren, durven ze de stankoverlast echter niet te melden bij de milieu-inspectie. En uit zichzelf onderneemt de milieu-inspectie, zo leert de ervaring, weinig actie. Misleidend is overigens ook hier het taalgebruik. In de stankwetgeving wordt niet over stank gesproken, maar over odeur en odeur-units, alsof het om een parfumerie-industrie zou gaan.

d. Onzorgvuldig en zelfs onrechtmatig is voorts het feit dat door gemeentes nog steeds vergunningen worden afgegeven voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen in extensiverings- en verwevingsgebieden. Overal breiden intensieve veehouderijbedrijven uit, of ze nu gelegen zijn nabij woonkernen, langs bosranden of nabij andere kwetsbare natuur. Weet de machtige bio-industrie de gemeentelijke regels naar haar hand te zetten? Of is er sprake van bestuurlijke onwil en onkunde? Feit is in ieder geval dat gemeenteraadsleden over het algemeen onvoldoende kennis hebben van de ingewikkelde materie van het ruimtelijk ordeningsrecht en het systeem van milieuvergunningen. Ook bij gemeenteambtenaren blijkt die kennis vaak onvoldoende. Naar onze mening is de bestuurlijke onkunde op het niveau van de gemeentes een van de belangrijkste oorzaken van het falen van de Reconstructie.

e. En hoe staat het met de bescherming en ontwikkeling van natuur, landschap en milieu die ons in de Reconstructieplannen waren beloofd?
Een van de hoofddoelstellingen daarin betreft het terugdringen van de ammoniakemissies uit de landbouw. Overeenkomstig Europese afspraken en afspraken die met andere provincies in 2000 werden gemaakt, diende de ammoniakemissie met ongeveer de helft te worden verminderd. Recent onderzoek laat echter zien dat van deze doelstelling niets terecht komt. Sinds 2005, het jaar waarin de Reconstructie van start ging, blijft de emissie zich op hetzelfde, veel te hoge, niveau bevinden.
Ook werd beloofd dat de aanleg van de ecologische hoofdstructuur zou worden versneld. Deze realisering van nieuwe natuur komt niet alleen planten en dieren ten goede, maar ook burgers. Natuur is belangrijk voor het welbevinden van de burger, als rust- en ontspanningsgebied, voor de vastlegging van CO2 en voor het filteren van fijnstof uit de lucht. Het college van GS heeft zich echter onlangs gedistantieerd van deze doelstelling en heeft laten weten dat de Rijksdoelstelling (EHS gereed in 2018) wellicht niet haalbaar is in Brabant.
Kernkwaliteiten van natuurgebieden, zoals stilte en duisternis, zouden worden verbeterd. Ook zou er actie worden ondernomen om verdroging, versnippering en bedreiging van leefgebieden van kwetsbare soorten tegen te gaan. Ten aanzien van deze Reconstructiedoelen wordt eveneens veel te weinig voortgang geboekt. Het lijkt er derhalve op dat de uitvoering van de reconstructie uitmondt in een eenzijdige economische ontwikkeling van het platteland, terwijl de omgevingsdoelen uit de Reconstructieplannen achterblijven. Hierdoor is een scheefgroei ontstaan die de evenwichtige ontwikkeling van natuur en landbouw die de Reconstructieplannen beoogden, illusoir maakt.