Niet alleen de onbehoorlijke en onevenwichtige uitvoering van de Reconstructieplannen dwingen tot wijziging van beleid. Ook de ingrijpend gewijzigde economische omstandigheden in de intensieve veehouderij maken heroverweging van de uitgangspunten en doelstellingen van de Reconstructie dringend noodzakelijk.
Zo werd er indertijd van uitgegaan dat bestaande agrarische familiebedrijven naar de concentratiegebieden zouden worden overgeplaatst. Geen rekening werd gehouden met de opkomst van een nieuw type ondernemers: de agrarische grootindustriëlen. Deze opereren op een heel andere schaal. Het gaat niet meer om duizenden, maar om tienduizenden dieren per bedrijf, en in het geval van kippen zelfs om meer dan een miljoen dieren. De bedrijfsvoering in deze dierfabrieken wordt steeds verder geautomatiseerd. Arbeidsplaatsen worden afgestoten en het personeel dat nog nodig is, is niet langer hoog gekwalificeerd, maar wordt vervangen door niet-gekwalificeerde buitenlandse werknemers.
Daarnaast zien we een nieuw type bedrijfsmodel opkomen dat berust op clustering van bestaande agrarische bedrijven. Deze bedrijven willen niet worden overgeplaatst, maar trachten te overleven door hun administratie, inkoop en verkoop in een gezamenlijke organisatie onder te brengen. Deze bedrijven hebben dus helemaal geen LOG nodig.
Ondertussen is de concurrentie tussen de grootschalige en kleinschalige veehouders zodanig verscherpt, dat zich een feitelijke koude sanering voltrekt. De agrarische familiebedrijven dreigen in snel tempo te verdwijnen. Ook met dat feit is indertijd kennelijk geen rekening gehouden.
Andere onvoorziene ontwikkelingen maken eveneens heroverweging van de Reconstructiewet noodzakelijk. Zo wordt inmiddels op het ministerie van LNV binnenskamers ernstig getwijfeld aan het Europese en mondiale concurrentievermogen op langere termijn van de Nederlandse intensieve varkenshouderij. Naar verwachting zal de Nederlandse varkensindustrie binnen een periode van 10 jaar worden weggeconcurreerd door de bio-industrieën in Oost-Europa en het Verre Oosten. Daar bestaan immers geen ruimtegebrek en personeelsgebrek. Bovendien zijn de milieu-eisen er voorlopig veel minder streng. Zou de drastische inkomensdaling waarmee de varkenssector in 2008 te maken kreeg, een voorbode van die onhoudbare concurrentiepositie zijn?
Blijkens het meest recente branche-rapport van de Rabobank zullen er – als gevolg van de concurrentieverhoudingen op wereldschaal - in 2015 nog maar 1500 grootschalige intensieve varkenshouderijen in Nederland actief zijn. Mede daarom heeft de Rabobank, naar wij vernamen, besloten om de komende jaren een restrictief kredietbeleid te voeren ten aanzien van de intensieve veehouderij.
Tenslotte blijken de ontwerpers van de Reconstructiewet en de Reconstructieplannen een verkeerde inschatting van het Europese mededingingsrecht te hebben gemaakt. De provincie Noord-Brabant althans maakt zich door de hoge subsidies aan de grootschalige bio-industrie schuldig aan ongeoorloofde staatssteun, aldus een recente uitspraak van de Europese Mededingingsautoriteit.
En bij dit alles komt dan ook nog de kredietcrisis, die rijk en provincies dwingt tot heroverweging van de bestuurlijke prioriteiten. De provincie Noord-Brabant heeft laten weten de schaarser wordende middelen in te gaan zetten voor een toekomst-bestendige industriepolitiek en voor een werkgelegenheidspolitiek. Wat betekent dit voornemen voor de grootschalige bio-industrie? Toekomst-bestendig is deze industrie allerminst. En veel werkgelegenheid blijkt deze, naar volledige automatisering strevende, industrie evenmin te verschaffen.
Wordt het op grond van deze ingrijpend gewijzigde omstandigheden niet hoog tijd dat het provinciebestuur zich gaat afvragen wat eigenlijk de reële overlevingskansen zijn van de Nederlandse grootschalige bio-industrie? En of het nog maatschappelijk en economisch verantwoord is om ten behoeve van deze industrie honderden miljoenen overheidsgeld te investeren en grote delen van het Brabantse platteland te vernietigen?


