Ook nieuwe wetenschappelijke inzichten in de risico’s van de grootschalige bio-industrie voor de volksgezondheid, dwingen tot heroverweging van de Reconstructiewet.
Het levenslang opsluiten van dieren in megastallen, zonder bewegingsruimte, daglicht of frisse lucht maakt dieren vatbaar voor ziektes. Het is daarom niet verwonderlijk dat in de intensieve veehouderij het antibioticagebruik nog altijd toeneemt. De resistentie bij varkens en kippen tegen ziekteverwekkers is in de afgelopen jaren verhoogd. Daarbij komt dat tegen antibiotica resistente bacteriën zich langer kunnen handhaven naarmate een bedrijf groter is. Waar bedrijfsgrootte en veedichtheid toenemen, is tevens een toename te verwachten in het vóórkomen en verspreiden van infectieziektes die kunnen worden overgedragen van dieren op mensen, zoals influenza, salmonella, Q-koorts, MRSA en antibioticumresistentie (zogenaamde zoönosen). Er is dus een aantoonbaar verband tussen bedrijfsgrootte en veedichtheid in een gebied enerzijds, en de insleep en de frequentie van zoönosen op een bedrijf anderzijds, zo stelt wetenschappelijk onderzoek . Om insleep van micro-organismen te minimaliseren zou een toename in de bedrijfsgrootte gepaard moeten gaan met voldoende afstand tussen bedrijven. Voor verspreiding van (dier)ziekten zullen de bedrijven minimaal 1 à 2 kilometer van elkaar verwijderd moeten zijn, zo stelt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een vorig jaar verschenen studie. Uit de plannen die de provincie en gemeenten op stapel hebben staan, blijkt niet dat zij kennis hebben genomen van dit advies van het RIVM. De stallen worden gewoon vlakbij elkaar gepland.
Dezelfde studie van het RIVM stelt eveneens dat een groter bedrijf, eenmaal geïnfecteerd, uiteraard de potentie heeft om meer micro-organismen te verspreiden dan een kleiner bedrijf, bijvoorbeeld via de lucht en via het uitrijden van mest. Geruststellend voegen de rapporteurs daaraan toe dat het aantal omwonenden echter zal afnemen omdat de ontwikkeling van een megabedrijf in een Landbouwontwikkelingsgebied alleen mogelijk is indien er in een extensiveringsgebied of verwevingsgebied een bedrijf verdwijnt. Maar deze optimistische constatering dat een megabedrijf alleen mogelijk is in een Landbouwontwikkelingsgebied gaat, zoals we hierboven vaststelden, in de praktijk niet op. Bovendien zijn de landbouwontwikkelingsgebieden niet bepaald onbewoonde gebieden, zoals de rapporteurs lijken aan te nemen. En als de infectieziekten slechts overslaan op een gering aantal mensen, is het blootstellen van deze kleine groep mensen hieraan dan geoorloofd?
Er zijn recentelijk meerdere studies gedaan naar de gezondheidseffecten van werknemers in de intensieve veehouderij. Onder deze werknemers worden veel luchtwegklachten gevonden, waaronder hoesten, slijm opgeven, kortademigheid en benauwdheid. Daarnaast heeft een deel van de werknemers andere klachten zoals rillingen, transpireren, koorts en gewrichtspijnen. Als oorzaak van deze klachten komt uit literatuur de blootstelling aan endotoxinen (bestanddelen van bacteriën) naar voren. Deze kunnen met fijnstof via de lucht worden verspreid en ook buiten de stalomgeving terecht komen (bijvoorbeeld via het uitrijden van de mest).
Met betrekking tot de effecten op de gezondheid van omwonenden van intensieve veehouderijen is nog weinig onderzoek gedaan. Wel blijkt uit beschikbaar onderzoek dat omwonenden vaak meer gezondheidsproblemen rapporteren dan vergelijkingsgroepen. Het gaat vooral om klachten van de luchtwegen en verminderde kwaliteit van leven. Ook weet men dat lichamelijke klachten en verstoring van activiteiten kunnen samenhangen met geurhinder. Duitse onderzoekers constateerden dat onder omwonenden de longfunctie was verlaagd.
Ook weten we dat het in ziekenhuizen steeds moeilijker en duurder wordt om wat betreft de MRSA-bacterie het ‘search en destroy’ beleid te handhaven. De haard van de besmetting (het bedrijf waar de besmette persoon woont of werkt) blijft immers gewoon bestaan. Bovendien weten we dat de maatschappelijke kosten die zoönosen met zich meebrengen steeds groter worden. Denk niet alleen aan het ziekteverzuim, maar ook aan de behandelkosten in het algemeen en die van mensen in quarantaine in het bijzonder; aan het extra personeel (analisten) dat moet worden ingezet; aan de extra laboratoriumonderzoeksmaterialen die moeten worden gemaakt, etc.
Inzicht in de verspreiding van stoffen vanuit de intensieve veehouderijen is volgens het RIVM nog niet voorhanden. Er zijn geen verspreidingsberekeningen en/of blootstellingsmetingen gedaan. De GGD’en van Brabant en Zeeland dringen daarom in een recent schrijven aan op het zo snel mogelijk starten met het verzamelen van dit soort gegevens.
Ook wordt er de laatste maanden op provinciaal niveau aandacht gevraagd voor de gezondheidsrisico’s. Verschillende moties zagen het licht. De Partij voor de Dieren vroeg in november 2008 in twee moties om een gezondheidsonderzoek en om het handhaven van een veilige afstand van 1 à 2 kilometer tussen bedrijven. De SP vroeg in diezelfde vergadering om een moratorium op de bouw van megastallen. CDA, VVD en PvdA volgden in december 2008 met de vraag om een gezondheidsonderzoek en ook de SP drong hierop aan. De vraag om verder onderzoek in te stellen naar de gezondheidsrisico’s voor omwonenden wordt politiek dus breed gedragen. De vertragingstactiek die op dit moment plaatsvindt door eerst het RIVM en de GGD’en bestaand onderzoek te laten verzamelen en beoordelen, is struisvogelpolitiek. Het RIVM en de GGD’en hebben immers vorig jaar al een literatuurstudie uitgevoerd en geadviseerd dat er een groter onderzoek moet komen naar fijnstofconcentraties bij bestaande en nieuwe veehouderijen.
Wij wijzen u tenslotte op het rapport dat in april 2008 werd uitgebracht door de prestigieuze PEW-Commission aan het Amerikaanse Congres. Op grond van decennia-lange ervaringen met de concentratie van intensieve bio-industrieën, concludeerde de PEW-commission dat zowel de megaschaal waarop deze industrieën opereren als de concentratie in één gebied een rechtstreekse bedreiging vormen voor mens, dier en natuur. Zij trekken dezelfde conclusies als RIVM en genoemde GGD’en en gaan zelfs een stap verder door dergelijke concentratiegebieden wegens hun grote risico’s af te wijzen.
Gegeven het feit dat er binnen de medische wetenschap zoveel aanwijzingen zijn dat de bio-industrie schadelijke gevolgen heeft voor de volksgezondheid, achten wij het onverantwoord dat het provinciebestuur het huidige beleid voortzet. Indien het hierin volhardt zullen gedupeerde burgers het provinciebestuur rechtens voor de gevolgen aansprakelijk stellen.


